koos swart

Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven
Buitenleven

Home

Contact

Copyright © 2017 H. Swart - http://www.koosswart.com

Nostalgie

Pagina 12 van 37

Buiten verblijven in H-S

Foto's en verhalen uit "Het Nieuwsblad" van 1959 & 1960

[In de volksmond "Het Bokkeblad"]

„WELGELEGEN” TE KLEINEMEER (7)

Von Wartensleben ten afscheid

Ondanks het aanbod van de Keizer om dienst te nemen in het Oostenrijkse leger, bleef de graaf von Wartensleben de Re- publiek trouw. Niet dat dank- baarheid hem weerhield. Pro- moties hingen hier af van de gunsten en gaven van toevallige machthebbers en tegen hun in-rigues was deze krijgsman in hart en nieren niet opgewassen.

Zijn brieven bevatten vele staaltjes van benepen provin- ciale politiek. Wanneer hem een vurig begeerde post is ontgaan, schrijft hij: „Ik verbeelde mij dit met koelen moed te kunnen dragen, doch ik heb mij bedro- gen. Ik onderging in mijn bin- nenkamer zulk een emotie, dat ik mijn drift niet meester ware geweest zo mijn concurrent op dat moment mij had ontmoet.

Ik beken geerne, dat het mij oneindig smertelijk is.”

Zeer smartelijk viel hem ook het verlies van zijn vrouw, die in het voorjaar van 1746 stierf,

83 jaren oud. Zij had een zwakke gezondheid. Herhaal- delijk klinkt uit de brieven van haar man een toon van diepe bezorgdheid door: „mijn vrouw is ziek en ellendig; God weet hoe lange wij bij elkanderen zijn !” Na de oorlog hoopt hij rustig met haar in Groningen te kunnen wonen. Helaas is hem dit niet vergund. In de late avond van de 23e februari 1746 voer een boot uit de stad naar Uithuizen met aan boord het

stoffelijk overschot van Wendelina Cornera Alberda. Enige dagen later vond de begrafe- nis naar aloude trant plaats. Terwijl tot in verre omtrek de klokken luidden, trok ter middernacht een lange stoet van vrienden en verwanten, allen gehuld in lange zwarte rouwmantels, op naar de kerk. Bij het licht der flambouwen daalde de kist in de grafkel- der neer. Nauwelijks een maand tevoren had zij „naar het lichaam wel swak, maar haar verstand en sinnen ten vollen magtig” haar testament gemaakt. Na „haar siele aan haren dierbaaren Verlosser en haar lichaam tot een eerlijke begraffenisse ter aarde” te hebben be- volen, schonk zij haar man „ter gedachtenisse” haar briljanten ring, zijn in briljanten gevat portret en haar gouden snuifdoos benevens de gehele inboedel van de borg Menkema. Tot slot waren er nog legaten voor haar kamenier en koetsier en de beide dienstboden Hen- drickjen en Lamme. Ook de armen te Gro- ningen, Uithuizen en in Kleinemeer werden goed bedacht.

Over de inboedel ontstond verschil van me- ning met zwager Alberda, die natuurlijk on- gaarne dit familiebezit zag verdwijnen. „Laat een ieder van ons, als menschen van geboorte en eer, zich stellen in het gemoed van den ander”, zo reageerde von Wartensleben, „en

het niet laten komen tot een vet proces voor de advocaten”.

Inderdaad regelden de arbiters deze aange- legenheid naar genoegen.

Von Wartensleben bezat trouwens nog land- goederen in Mecklenburg en in Holland. Spoedig daarna verliet hij Groningen. Spo- radisch treffen we hem later, soms slechts voor enkele uren, hier weer aan. Zijn huwelijk was kinderloos gebleven, doch uit een tweede huwelijk met een duitse gravin zijn acht kinderen gesproten. Karoline F. C. K. gravin von Wartensleben, de grootmoeder van Z.K.H. Prins Bernhard, stamt eveneens uit dit geslacht, zij het dan niet rechtstreeks van onze Carl Friedrich. Deze is in 1778 te Bonn gestorven als gevolmachtigd minister van de Republiek bij het Keizerlijk Hof. Zijn verblijf op „Welgelegen” was toen enkel nog een vage herinnering. Het buiten was reeds lang in andere handen overgegaan. Op 24 maart 1747 vond in „De Gouden Roemer” te Groningen de verkoop plaats van deze „vermakelyke buitenplaats”. „Segget voort”, zó luidde het op de biljetten, aangeslagen op de stadspoortcn, waarvan een exemplaar hier- boven is afgebeoeld. Voor 3000 Caroli guldens werd eigenaar de luitenant-kolonel Wilhelmus Lichtenvoort.

Mr. G. N. Schutter.